Wat is het?

Diabetes is een veel voorkomende, ongeneeslijke stofwisselingsziekte, waarbij het bloed te hoge concentraties glucose bevat. Hierdoor ontstaan allerlei klachten en complicaties.
De belangrijkste energiebron voor de mens is glucose. Deze wordt via het bloed naar alle uithoeken van het menselijk lichaam getransporteerd. In de alvleesklier wordt insuline gemaakt. Dit hormoon stimuleert de opname van glucose in de cellen en is betrokken bij de omzetting van glucose dat teveel is in glycogeen.

Bloedsuikers op peil
Bij mensen met diabetes wordt te weinig insuline gemaakt (type 1 diabetes) of kan deze niet goed de lichaamscellen binnenkomen (type 2 diabetes). Hierdoor blijft teveel glucose aanwezig in het bloed. Dit kan leiden tot grote problemen zoals hart- en vaatziekten, nierfalen, blindheid of zelfs coma. Mensen met type 1 spuiten dagelijks insuline om de bloedsuikers op peil te houden, omdat anders een levensbedreigende situatie optreedt. Voor patiënten met type 2 geldt dat een aantal van bovengenoemde symptomen succesvol te bestrijden is via aanpassingen van het dieet, meer lichaamsbeweging en niet roken. Als die maatregelen niet helpen, rest ook deze patiënten niets anders dan het dagelijks inspuiten van een extra hoeveelheid insuline.

Hoe krijg je het?

De oorzaak van diabetes is nog niet helemaal bekend. Wel lijkt het duidelijk te maken te hebben met erfelijke aanleg en omgevingsfactoren. Bij diabetes type 2 spelen in ieder geval een rol: overgewicht, leeftijd en het voorkomen van deze ziekte in de familie. Type 1 is niet afhankelijk van iemands leefstijl. Bij diabetes type 1 maakt het lichaam door een fout in het afweersysteem de eilandjes van Langerhans kapot. Deze eilandjes – die zich bevinden in de alvleesklier – zijn nodig voor de productie van insuline. Patiënten bij wie het lichaam deze eilandjes kapot maakt, zijn dan ook volledig afhankelijk van de toediening van insuline.

Diabesitas
Voordat insuline in 1921 op de markt kwam, was diabetes type 1 daarom altijd een dodelijke ziekte. Diabetes type 1 komt vooral voor bij kinderen en bij volwassenen tot dertig jaar. Diabetes type 2 daarentegen heet in de volksmond ouderdomsdiabetes. Dit komt omdat diabetes type 2 vooral bij mensen boven de veertig voorkomt. Tegenwoordig is deze benaming echter bedrieglijk, want type 2 komt steeds vaker bij jongere mensen voor. Dit heeft veel te maken met overgewicht. Daarom spreken behandelaars bij jongeren met diabetes type 2 ook wel van diabesitas, een samentrekking van diabetes en obesitas.

Schimmelinfecties
Een probleem hierbij is dat de eerste klachten vaak heel vaag zijn: moe zijn, nergens zin in hebben, schimmelinfecties. Vaak wordt de oorzaak pas duidelijk als de patiënt veel gaat drinken en plassen. Jongeren met een ongezond leef- en eetpatroon vormen dus een steeds belangrijker risicogroep voor diabetes type 2. Bij diabetes type 2 maakt het lichaam na verloop van tijd steeds minder insuline aan. Bovendien wordt het lichaam langzaamaan ongevoelig voor insuline.

Is het te genezen?

Bij diabetes type 1 kan transplantatie van eilandjes van Langerhans uitkomst bieden. Het lichaam gaat dan weer zelf insuline aanmaken, zodat de ziekte verdwijnt. Maar de operatie is nog niet voor iedereen toepasbaar. Bovendien moet de patiënt na transplantatie levenslang geneesmiddelen slikken tegen afstoting van de geïmplanteerde eilandjes. Die geneesmiddelen kunnen ook weer tot gezondheidsproblemen leiden. Afgezien hiervan is voor beide types diabetes nog geen genezing mogelijk. Wel zijn de behandelmethoden sterk verbeterd.

Behandeling

Patiënten met diabetes type 1 zijn helemaal afhankelijk van insulinetoediening. Inmiddels zijn diverse soorten insuline beschikbaar. Sommige zijn van dierlijke afkomst, maar sinds de jaren tachtig is er ook een vorm op de markt die is nagemaakt van menselijke insuline. Van alle vormen van insuline bestaan snelwerkende en langwerkende vormen en een gemengde vorm. De arts kan dus voor iedere patiënt het type kiezen dat het beste bij zijn lichaam past.

Insulinepompen
De insuline kan worden toegediend met een traditionele injectiespuit, maar er zijn ook speciaal ontwikkelde injectiepennen en doseersystemen. Insulinepompen hebben als voordeel dat de insuline heel nauwkeurig wordt toegediend. De patiënt kan dan gerust eens een keer uitslapen zonder dat hij bang hoeft te zijn voor acute gezondheidsklachten. Hij kan ook gewoon gaan sporten. Maar hij draagt wel de hele dag een pompje bij zich. Sommige mensen vinden dat onprettig. Bovendien kan een infectie ontstaan op de plaats waar het naaldje of slangetje de buik in gaat.

Antidiabetica
Diabetes type 2 ontwikkelt zich veel langzamer dan type 1. Is eenmaal vastgesteld dat iemand type 2 heeft, dan zal de arts hem vaak adviseren af te vallen en gezonder te gaan leven. Dit zorgt ervoor dat de problemen gedurende langere tijd niet erger worden. Toch werkt dit op een gegeven moment niet meer. De patiënt moet dan medicijnen gaan gebruiken, orale antidiabetica. Hiervan bestaan twee vormen. De eerste helpt de alvleesklier om insuline af te geven, de tweede vermindert de aanmaak van glucose in de lever. Allebei zorgen ze ervoor dat de bloedsuikerwaarden omlaag gaan. Een iets andere behandeling zorgt ervoor dat de vertering van koolhydraten wordt verlaagd. Daardoor komt minder glucose in het bloed. Dit middel moet tijdens de maaltijd worden ingenomen.

Glitazonen
Relatief nieuw zijn de snelwerkende bloedglucose verlagende middelen. Deze stimuleren de insulineafgifte. Nog nieuwer zijn de glitazonen. Die gaan de weerstand van het lichaam tegen insuline tegen. De lever maakt dan minder glucose, de spieren kunnen de glucose beter opnemen en de bloedsuikerwaarden als gevolg daarvan dalen. Op een gegeven moment moet een groot deel van de patiënten met diabetes type 2 toch insuline gaan toedienen.

Levensverwachting

Mensen met diabetes hebben een twee keer zo groot risico om te overlijden als mensen van dezelfde leeftijd die deze ziekte niet hebben.

Ontwikkeling

In de behandeling van diabetes zijn al grote stappen gezet. Toch is ook nog veel winst te boeken.

Synthetische insuline
Al in de jaren tachtig is het voor diabetes type 1 gelukt om in een laboratorium synthetische insuline te maken. Eerder werd er gebruik gemaakt van insuline van geslachte dieren.
Men ontdekte dat het ontstaan van nierschade, een dan veel voorkomend probleem bij diabetespatienten, vertraagd kon worden door geneesmiddelen tegen hoge bloeddruk. Onderzocht wordt of deze middelen ook kunnen helpen bij een bepaalde aandoening die vaak voorkomt bij diabetes. Ook zijn de toedieningsvormen voor insuline beter afgestemd op de patiënt dan vroeger. De uitkookbare spuiten van weleer met dikke uiteinden zijn midden jaren tachtig vervangen door insulinepennen met een heel dunne en korte naald.

Bloedglucosespiegels
Sinds 2003 is er langwerkende insuline op de markt. Dit maakt het makkelijker om, in combinatie met de korter werkende insulinesoorten, de bloedglucosespiegels de gehele dag gelijkmatig te houden. Voor de behandeling van diabetes type 2 zijn sinds 2000 minstens tien geneesmiddelen beschikbaar gekomen. Voor mensen met diabetes type 1 is een operatie soms een optie. Zij krijgen dan eilandjes van Langerhans geïmplanteerd. Deze eilandjes zijn nodig voor de insulineproductie. Na transplantatie kan het lichaam weer zelf insuline aanmaken.

Gezondheidsproblemen
Waarom is dan toch nog veel winst te boeken? De bestaande behandelingen houden de ziekte wel onder controle, maar genezen die niet. En zolang mensen niet genezen van diabetes, krijgen ze na verloop van tijd allerlei andere gezondheidsproblemen. Als genezing wel mogelijk is – bij de operatie met eilandjes van Langerhans dus – moet de patiënt levenslang geneesmiddelen slikken. Dat is nodig omdat het lichaam die eilandjes anders afstoot. Maar die geneesmiddelen kennen wel bijwerkingen. Ze kunnen bij een aantal mensen leukemie veroorzaken. Daarnaast gaat de zoektocht door naar middelen die de dagelijkse injecties een voudiger kunnen maken of zelfs overbodig. Ook medicijnen die op latere leeftijd gezondheidsproblemen kunnen voorkomen, zouden een grote verbetering zijn.

Interview met een patiënt

Een interview met Ab:

Urineonderzoek
‘Het was 1973, ik kreeg pijn en jeuk met het plassen. De huisarts verrichtte urineonderzoek en zei meteen dat ik diabetes type II had. Ik was 46 jaar en kreeg pilletjes van de dokter. Die werkten prima en gaven me verder geen hinder. Maar omdat het langzaam erger werd, moest ik een paar jaar later naar de internist en die zei dat ik insuline moest gaan spuiten. Dan moet je je ineens aan allerlei eet- en leefregels gaan houden, want dan werkt de insuline het best.

Sinaasappel
In het ziekenhuis mocht ik op een sinaasappel oefenen hoe dat spuiten in zijn werk ging. Ik had het snel onder de knie. Ik heb af en toe een blauwe plek, maar verder heb ik er helemaal geen last van. Ik kon ook gewoon alles blijven doen. Toen ik in 1988 met de VUT ging, had ik verder geen problemen met mijn gezondheid. Als ik op tijd eet en spuit, is er niks aan de hand. Maar als mijn bloedsuiker eens een keer veel te laag is, ben ik moe, rillerig en zweterig. Ik voel dat altijd goed aankomen en neem dan meteen maatregelen. Het is nog nooit misgegaan. Gelukkig leef ik heel regelmatig. Ik eet om acht uur, twaalf uur en vijf uur. En zolang ik dat maar doe, kan ik ook gewoon mijn borreltje blijven drinken.

Bloedsuikergehalte
’s Avonds zit ik wel eens te hoog met mijn bloedsuikergehalte. Daar merk ik weinig van, dus dan moet ik oppassen en bijvoorbeeld geen zoetigheid gaan eten. Maar als ik met een iets te hoog bloedsuiker naar bed ga, is het de volgende ochtend gewoon weer op peil. Een heel enkele keer moet ik mezelf extra injecteren. Laatst bijvoorbeeld, want toen had ik 15,2. En het hoort natuurlijk onder de tien te zijn.

Vulpatroon
Ik gebruik ’s ochtend en ’s avonds een lang werkende insuline en ’s middags een snel werkende. Dat is een gemene hoor. Als je die spuit, moet je echt meteen gaan eten. Anders gaat je suikerspiegel heel snel omlaag en dan gaat het mis. En daar ben ik een beetje huiverig voor, dus daar let ik altijd heel goed op. Een tijdje geleden kreeg ik bij de apotheek een nieuwe spuit. Daarin kun je gewoon een vulpatroon met insuline doen, net als bij een vulpen. Dus nu hoef ik geen insuline meer uit een flesje op te zuigen.

Lange kousen
Van lichamelijke klachten heb ik verder weinig last. Mijn ogen zijn nog best goed. Ik heb alleen een blaasje bij mijn rechteroog dat wat vocht afgeeft. Dat heeft wel met de diabetes te maken, maar het is onschuldig. Wel begint mijn doorbloeding nu een beetje terug te lopen. Als ik ’s avonds naar bed ga, voel ik dat mijn grote tenen pijn beginnen te doen. En ik heb tegenwoordig voor de warmte lange kousen aan, anders krijg ik kramp in mijn kuiten.

Pacemaker
Een jaar of tien geleden kreeg ik pijn op mijn borst. Sinds die tijd heb ik een pacemaker. Inmiddels ben ik ook gedotterd. Maar dat heeft volgens mij allemaal niks met mijn diabetes te maken hoor. Ik ben gewoon een oude man aan het worden, ik ben al 81 tenslotte.’

Bronnen

Diabetes Fonds

EFPIA (Europese brancheorganisatie geneesmiddelenbedrijven)