‘De pil’ als anticonceptiemiddel

1955

Al in de achttiende eeuw, toen kindersterfte werd teruggedrongen en niet langer iedereen voor zijn oudedagvoorziening van kinderen afhankelijk was, ontstond de behoefte aan geboortebeperking. Er werd geëxperimenteerd met allerlei middelen, waarvan de meeste, zoals condooms, pessaria en spiraaltjes, sindsdien verbeterd en nog steeds in gebruik zijn. Destijds waren deze methoden echter niet al te betrouwbaar.

In 1914 was al ontdekt dat het met behulp van het hormoon progesteron mogelijk was de ovulatie van de vrouw stil te leggen en een soort ‘schijnzwangerschap’ te creëren. Door het lichaam op deze manier voor de gek te houden, hoopten onderzoekers bij stopzetting van de behandeling de vruchtbaarheid van vrouwen die hier problemen mee hadden, weer op gang te kunnen brengen (zoals normaal na zwangerschap gebeurt).

De van oorsprong Hongaarse scheikundige Rosenkranz kwam in de jaren 50 op het idee dat de behandeling ook omgekeerd kon werken: om zwangerschap tegen te houden. Gesynthetiseerd progesteron (norethynodrel) in pilvorm werd door het gebruiksgemak al snel razend populair als anticonceptiemiddel. Ondanks, of misschien wel mede dankzij de grote controverse over dit onderwerp, werd het gebruik van ‘de pil’ een doorslaand succes.

Beeld: De pil.

De pil is niet alleen een van de meest betrouwbare anticonceptiemiddelen, maar was in de jaren zeventig hét symbool van de moderne, zelfbewuste vrouw en een belangrijk wapen in de ‘seksuele revolutie’.

Op 30 december 2012 overleed gynaecoloog Arie Haspels (1925-2012). Hij was behalve de gynaecoloog van het koninklijk huis ook verantwoordelijk voor een sterk verbeterde versie van de pil en de bedenker van de morning-afterpil, die de kans kleiner dat vrouwen na onbeschermde seks toch zwanger worden.

Bekijk ook: