Alzheimer

1910

De ziekte Alzheimer is in 1910 vernoemd naar de Duitse psychiater en neuropatholoog Alois Alzheimer (1864 – 1915). Hij beschreef in 1906 het ziektebeeld van zijn patiënte Auguste Deter. Zij had problemen met haar geheugen en na haar overlijden – op 56-jarige leeftijd – onderzocht Alzheimer haar hersenen. Naast atrofie (het verschrompelen van de hersenen) vond hij zogenoemde plaques (eiwitafzettingen) en tangles (kronkels), die nog steeds als karakteristiek gelden voor de naar hem vernoemde ziekte.

Alzheimer bestudeerde hersenaandoeningen, uiteenlopend van schizofrenie tot epilepsie. De tien productiefste jaren van zijn carrière bracht hij door in het onderzoekslaboratorium van de universiteitskliniek in München. En de laatste vier jaar van zijn leven bracht hij door als professor in de psychiatrie aan de universiteit van Breslau in Polen. Op 51-jarige leeftijd overleed hij aan de gevolgen van ontstoken hartzakjes.

Naar de ziekte van Alzheimer wordt nog steeds veel wetenschappelijk onderzoek gedaan. Het aantal Alzheimer-patiënten zal de komende tijd fors stijgen. Helaas is er nog veel onduidelijkheid over de oorzaak van de ziekte van Alzheimer. 

Beeld: Alois Alzheimer.

Bij Alzheimer-patiënten gaat het gehalte aan acetylcholine (ACh) omlaag tot wel 20 tot 40% vergeleken bij gezonde mensen. ACh is een stofje dat in de hersenen informatie overdraagt. De afname van ACh kan door geneesmiddelen worden vertraagd. Dergelijke middelen bestaan sinds een jaar of vijf. Ze vertragen het verloop van de ziekte wel, maar bieden geen genezing.