< Terug naar overzicht

William Harvey beschrijft de bloedsomloop

1628

In de Middeleeuwen werd aangenomen dat het bloed in het lichaam een soort eb- en vloedbeweging volgt vanuit de lever. William Harvey (1578-1657) betoogde in zijn revolutionaire werk Exercitiatio anatomica de motu cordis et sanguinis (‘Anatomische oefening over de beweging van het hart en het bloed’), uitgegeven in 1628, dat het bloed door het hart wordt rondgepompt. Deze ontdekking wordt wel gezien als de grootste in de geschiedenis van de medische wetenschap.

De wetenschappelijke wereld accepteerde Harvey’s theorie aanvankelijk niet. Exercitiatio anatomica was in slecht Latijn geschreven en er ontbrak een cruciaal stuk, de overgang van slagaders naar bloedvaten. Deze ontbrekende schakels – de capillaire vaten – werden in 1640 door de Leidse hoogleraar Johannes Walaeus ontdekt in experimenten op levende dieren. Harvey’s boek werd in 1648 herschreven door de Rotterdamse artsen Zacharias Sylvius en Jacobus de Back.

Niet alleen was een groot deel van de medische kennis in één klap achterhaald, de ‘demystificatie’ van het hart – het hart bleek niet de behuizing van de ziel te zijn – opende de poort voor verdere secularisering van de wetenschap. Het sterkte denkers als René Descartes in hun opvatting dat de mens altijd kritisch moet staan tegenover niet wetenschappelijk onderbouwde ‘wetten’.

Toen Antonie van Leeuwenhoek er in 1688 in slaagde de capillaire vaten onder zijn microscoop zichtbaar te maken, werd de bloedsomlooptheorie door de wetenschappelijke wereld als bewezen aanvaard.
Beeld: Omslag van het boek van William Harvey

William Harvey beschrijft de bloedsomloop