< Terug naar overzicht

‘De pil’ als anticonceptiemiddel

1955

Al in de achttiende eeuw, toen kindersterfte werd teruggedrongen en niet langer iedereen voor zijn oudedagvoorziening van kinderen afhankelijk was, ontstond de behoefte aan geboortebeperking. Er werd geëxperimenteerd met allerlei middelen, waarvan de meeste, zoals condooms, pessaria en spiraaltjes, sindsdien verbeterd en nog steeds in gebruik zijn. Destijds waren deze methoden echter niet al te betrouwbaar.

In 1914 was al ontdekt dat het met behulp van het hormoon progesteron mogelijk was de ovulatie van de vrouw stil te leggen en een soort ‘schijnzwangerschap’ te creëren. Door het lichaam op deze manier voor de gek te houden, hoopten onderzoekers bij stopzetting van de behandeling de vruchtbaarheid van vrouwen die hier problemen mee hadden, weer op gang te kunnen brengen (zoals normaal na zwangerschap gebeurt).

Toen de Amerikaanse bioloog Gregory Pincus (1903-1967) deze bevindingen in 1955 op een congres presenteerde, kwam men plots op het idee dat de behandeling ook omgekeerd kon werken: om zwangerschap tegen te houden. Gesynthetiseerd progesteron (norethynodrel) in pilvorm werd door het gebruiksgemak al snel razend populair als anticonceptiemiddel. Ondanks, of misschien wel mede dankzij de grote controverse over dit onderwerp, werd het gebruik van ‘de pil’ een doorslaand succes. De pil is niet alleen een van de meest betrouwbare anticonceptiemiddelen, maar was in de jaren zeventig hét symbool van de moderne, zelfbewuste vrouw en een belangrijk wapen in de ‘seksuele revolutie’.

Op 30 december 2012 overleed gynaecoloog Arie Haspels (1925-2012). Hij was behalve de gynaecoloog van het koninklijk huis ook verantwoordelijk voor een sterk verbeterde versie van de pil en de bedenker van de morning-afterpil, die maakt dat vrouwen na onbeschermde seks toch de kans op een zwangerschap kunnen verkleinen.
Beeld: ‘De pil’ heeft sinds 1955 het seksleven en de carrièrepositie van miljoenen vrouwen wereldwijd veranderd.

‘De pil’ als anticonceptiemiddel