< Terug naar overzicht

Eén op de vijf kreeg de Spaanse griep

1918

De Spaanse griep was een beruchte griep-pandemie waaraan in 1918 en 1919 volgens voorzichtige schattingen 30 miljoen mensen overleden. Daarnaast werd één miljard mensen ziek.

Het virus dook voor het eerst op in maart 1918, op de militaire basis Fort Kunston in Kansas en verspreidde zich naar andere legerbases.

Volgens sommige onderzoekers belandde het daar via Chinese spoorwegarbeiders als gemuteerd varkensvirus. Anderen beweren dat het op de basis zelf ontstond en van de kippen en varkens komt die daar werden gefokt.

Het virus reisde met de Amerikaanse troepen mee naar Europa. Eerst was het niet dodelijk, maar al snel greep het om zich heen. In Spanje, waar geen oorlogscensuur heerste, sloegen kranten alarm na diverse sterfgevallen. Hieraan dankt het virus H1N1 zijn naam.

Mensen die besmet raakten, kregen hoge koorts, hoestbuien, spierpijn en keelpijn, gevolgd door extreme moeheid en flauwtes. Ze verloren zoveel energie dat ze niet meer konden eten en drinken. Ademhalen werd steeds moeilijker en binnen enkele dagen stierven velen.

Vreemd genoeg trof de Spaanse griep voornamelijk jonge volwassenen. In augustus 1918 had de helft van de Amerikaanse soldaten in Europa het: 43.000 man overleed.

De ziekte sloeg snel over naar andere legerkorpsen en na de Eerste Wereldoorlog  reisde het met de soldaten mee naar huis. Met als gevolg dat het zich over de hele wereld verspreidde.

Even snel als het virus opdook, verdween het eind 1919 weer.

Een op de vijf kreeg spaanse griep