< Terug naar overzicht

Napoleons lijfarts en de eerste ambulance

1793

Aan Napoleon hebben we straatnamen, achternamen, drop én de ambulance te danken. Het was zijn lijfarts, Dominique-Jean Larrey die zich zorgen maakte over soldaten die gewond raakten op het slagveld. Normaal bleven die liggen tot na afloop van de veldslag, vaak met de dood als gevolg. Dat kon Larrey niet aanzien. Het leek hem ook handiger om ze zo snel mogelijk naar het veldhospitaal te vervoeren en daar op te lappen. Zodat ze weer het strijdtoneel konden betreden. Hij ontwierp – vermoedelijk in 1793 – een kar met daarop een kist – met springveren – waarin een gewonde soldaat snel en enigszins comfortabel naar het veldhospitaal kon worden gebracht.

De ‘vliegende ambulances’ – voor één tot vier gewonden – namen alle soldaten mee ongeacht hun rang of stand. Wel werden soldaten met lichte verwondingen en een grotere overlevingskans eerder geholpen. Het gebeurde daarom nogal eens dat zwaargewonden onderweg de ambulance werden gegooid. Zo’n halve eeuw later bedacht men dat je ook gewonde burgers per ambulance kunt vervoeren. Tijdens een wereldwijde choleraepidemie in 1832 gingen op diverse plekken ambulancewagens met paarden rijden, om cholerapatiënten te vervoeren.

In de decennia daarna begonnen ziekenhuizen met het introduceren van ambulancediensten voor ‘gewone’ patiënten. De eerste gemotoriseerde ambulance kwam ook uit Frankrijk. Hij werd in 1895 tentoongesteld in Parijs en vijf jaar later pas eerst door het leger en later dat jaar voor het vervoer van de gewone burger in gebruik genomen.