< Terug naar overzicht

Het laboratorium van Sylvius

1669

Vanwege de associatie met alchemie en occultisme, was de scheikunde altijd het ondergeschoven kindje van de wetenschap. In de zeventiende eeuw gingen – onder andere onder invloed van William Harvey– echter steeds meer medici zich bezig houden met de studie van lichaamssappen en stofwisseling. Zo ontstond de iatrochemie – de voorloper van de biochemie. De Nederlander Franciscus dele Boë Sylvius (1614-1672) stichtte in 1669 in Leiden het eerste universitaire chemische laboratorium. Niet alleen werd door zijn werk de scheikunde als wetenschap ‘salonfähig’, maar hij was ook de grondlegger van de chemische kant van medisch onderzoek en heeft dus een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontstaan van de geneesmiddelensector.

Sylvius geniet ook bekendheid vanwege ander onderzoek: in 1650 maakte hij een sterk mengsel van alcohol en jeneverbessenolie als medicijn tegen galstenen en nieraandoeningen. Sindsdien staat hij bekend als de uitvinder van de jenever.

Beeld: Portret van Franciscus Sylvius, door Cornelis van Dalen (1659)

Het laboratorium van Sylvius