< Terug naar overzicht

Gregor Mendel en de erfelijkheidsleer

1866

Onbewust hebben mensen altijd al geëxperimenteerd met erfelijkheid bij het kweken van planten. Planten worden geselecteerd op bepaalde kenmerken en juist deze planten geven hun erfelijke kenmerken door aan een volgende generatie.

Gregor Mendel (1822-1884), een Oostenrijkse monnik, bestudeerde het doorgeven van erfelijke eigenschappen bij de erwten die hij kweekte. Hij kruiste bewust erwten met sterk verschillende kenmerken (bijvoorbeeld bloemkleur en zaadvorm) om te zien wat er gebeurde. Mendel ontdekte dat er voor elk paar eigenschappen (bijvoorbeeld paarse/witte bloemen), die we nu genen noemen, een dominante en een recessieve versie bestaat. Hiermee kon hij vaste verhoudingen opstellen, waarin bepaalde genen worden doorgegeven van generatie op generatie. Ook verklaarde hij waarom erfelijke kenmerken soms een generatie overslaan en stelde hij vast dat verschillende kenmerken onafhankelijk van elkaar optreden.

Tegenwoordig kan dankzij Mendels werk door DNA de kans op erfelijke ziekten bij ongeboren kinderen worden vastgesteld. Ouders hoeven zelf niet aan de ziekte te lijden, maar als zij allebei drager zijn van het (recessieve) gen, kan het kind de ziekte wel krijgen.
Beeld: Een portret van Gregor Mendel

Gregor Mendel en de erfelijkheidsleer