< Terug naar overzicht

De Gouden Eeuw van de anatomie

1543

In de renaissance begon men op een andere manier naar het menselijk lichaam te kijken. De groei van universiteiten in Europa droeg bij aan de georganiseerde beoefening van wetenschap en de overdracht van kennis van docent op student. Hoewel veel onverklaarbaar bleef, werden empirische waarnemingen en experimenten de basis van de medische wetenschap. In de zestiende eeuw begonnen artsen de lichamen van overledenen te ontleden. Zo kwamen zij tot grote ontdekkingen. De Italiaan Jacopo Berengario da Carpi (1460-1530) beschreef zijn waarnemingen als eerste in een geïllustreerd boek, Anatomi Carpi, dat pas na zijn dood in 1535 werd uitgegeven.

De Vlaming Andreas Vesalius (1514-1564) bouwde voort op Da Carpi’s werk. Hij ontleedde de lichamen van geëxecuteerde misdadigers en beschreef wat hij zag. Hij werkte samen met tekenaars om in 1543 tot een rijk en gedetailleerd geïllustreerd anatomisch handboek te komen, De Humani Corpus Fabrica (‘over de bouw van het menselijk lichaam’). Zijn beschrijvingen en illustraties zijn ook naar huidige maatstaven nog steeds zeer nauwkeurig en waarheidsgetrouw. Vesalius wordt beschouwd als de grondlegger van de anatomie. Hij moedigde studenten aan niet te vertrouwen op kennis uit het verleden, maar op eigen waarneming.