< Terug naar overzicht

De structuur van DNA

1953

Een van de belangrijkste vragen die de biomedische wetenschap in de late negentiende en vroege twintigste eeuw bezig hield, was hoe leven uit leven ontstaat. De Canadees-Amerikaanse onderzoeker Oswald Avery (1877-1955) ontdekte door experimenten met bacteriën dat de stof desoxyribonucleïnezuur (DNA), die al in 1869 ontdekt was door de Zwitser Johann Friedrich Mieschler (1844-1895), de drager van erfelijk materiaal in de vorm van genen is. Volgens sommigen is Avery de belangrijkste wetenschapper die nooit een Nobelprijs heeft gewonnen.

Het werk van Avery stelde Francis Crick (1916-2004) en James Watson (1928) ertoe in staat in 1953 in een laboratorium in Cambridge vast te stellen dat DNA de inmiddels beroemde structuur van een ‘dubbele helix’ heeft. Hun ontdekking bevestigde dat genen, de dragers van erfelijke informatie, onderdeeltjes van de enorme DNA-moleculen zijn. Ze kregen hiervoor in 1962 de Nobelprijs voor geneeskunde.

Door verder onderzoek aan ‘hun’ DNA-moleculen leerden Crick en Watson de belangrijkste functie van DNA: een blauwdruk voor eiwitten die voortdurend gekopieerd wordt. Door dit kopiëren worden nieuwe cellen gemaakt en ontstaat dus nieuw leven. Ook verklaarde dit de werking van mutaties: die ontstaan door fouten bij het kopiëren van DNA. De ontdekking van de structuur van DNA heeft de basis gelegd voor de moderne genetica.
Beeld: De dubbele helix van een DNA-molecuul

de structuur van dna