< Terug naar overzicht

De komst van het Rijksvaccinatieprogramma

1957

In 1956 was er in Nederland voor het laatst een grote epidemie van poliomyelitis, kortweg polio of kinderverlamming. Deze ziekte, een virusinfectie in het ruggenmerg, is meestal onschuldig maar kan leiden tot ernstige spierafwijkingen en verlamming, vooral bij jonge kinderen. In 1956 raakten 1784 mensen verlamd en overleden er zeventig.

Naar aanleiding van de epidemie besloot de regering tot het Rijksvaccinatieprogramma. Sinds 1957 worden kinderen in het eerste levensjaar behalve tegen polio ook gevaccineerd tegen difterie, kinkhoest en tetanus (DKTP) en haemophilus influenzae type B. Deze inenting wordt tijdens het eerste jaar vier keer uitgevoerd en herhaald na vier en negen jaar. Na veertien maanden wordt het kind ook ingeënt tegen bof, mazelen en rode hond (BMR) en meningokokken C. De BMR-prik wordt na negen jaar herhaald. Meisjes worden op hun twaalfde nog ingeënt tegen het humaan papillomavirus, een virus dat de kans op borstkanker vergroot. Er wordt aangenomen dat mensen na het volgen van dit vaccinatieschema hun hele leven immuun zijn voor deze ziekten. Sinds 2011 worden kinderen bij de geboorte ook ingeënt tegen hepatitis B. Deelname aan het programma is niet verplicht, maar ruim 95 procent van de bevolking laat zijn kinderen inenten. In bijvoorbeeld Vlaanderen is de poliovaccinatie wel verplicht.

Sinds invoering van het vaccinatieprogramma werden bij volgende polio-uitbraken, in 1971 en 1992, alleen nog kinderen getroffen die om principiële redenen niet waren ingeënt. Ook in andere landen werden vaccinaties ingesteld, waardoor polio steeds minder voorkomt.