< Terug naar overzicht

De eerste vaccinatie

1796

In 1774 schreef de Groningse veehandelaar Geert Reinders (1737-1815) een brief aan stadhouder Willem V, waarin hij meldde dat hij een belangrijke ontdekking had gedaan. In zijn studie naar de ziekte runderpest was het hem opgevallen dat koeien die de ziekte overleefden, kalveren voortbrachten die tijdelijk immuun waren. Toen hij deze kalveren later met opzet besmette met het virus, verlengde dat de periode van immuniteit.

De ideeën van Reinders werden overgenomen door Edward Jenner (1749-1823), die in 1796 opmerkte dat melkmeisjes die werden besmet met koepokken, immuun waren voor de menselijke pokken. Jenner stelde voor het eerst voor om mensen bewust te infecteren met het koepokvirus, door het in de huid te krassen (‘inoculeren’). De latere naam vaccinatie, afgeleid van de Latijnse naam voor de koepokken (vaccinia), herinnert nog aan de oorsprong van de techniek. De introductie van de injectiespuit in de negentiende eeuw maakte vaccinatie een stuk makkelijker en veiliger.

Dankzij vaccinatie werden de pokken in de jaren zeventig van de twintigste eeuw de eerste ziekte die door de mens geheel was uitgeroeid. In de westerse wereld worden tegenwoordig op grote schaal vaccinatieprogramma’s toegepast om kwetsbare groepen (zoals kinderen en ouderen) te beschermen tegen ziekte.
Beeld: Edward Jenner dient het koepokvaccin toe aan patiënten, cartoon door H. Humphrey (1802)