< Terug naar overzicht

Aspirine, het eerste synthetische geneesmiddel

1899

Hippocrates maakte al gebruik van extracten uit wilgenbast als pijnstiller en koortsonderdrukker. De werking hiervan was mogelijk al veel langer bekend. Eeuwenlang heeft men geprobeerd de werkzame stof hierin, salicylzuur, te isoleren en binden tot een werkbare, stabiele oplossing. De eerste die hierin slaagde was Arthur Eichengrünn (1867-1949), die het in de laboratoria van de Duitse firma Bayer met een chemische reactie bewerkte tot acetylsalicylzuur. In 1899 werd het poeder door Bayer gepatenteerd en onder de merknaam Aspirine (A voor ‘acetyl’ en spirine van de Duitse naam voor salicylzuur, Spirs äure) op de markt gebracht. Daarmee was het eerste synthetische (in een laboratorium met chemische reacties geproduceerde) geneesmiddel een feit.

Jarenlang werd aangenomen dat Felix Hoffmann de ontdekker van aspirine was. Hoffmann zou naast zijn werk op zoek zijn geweest naar het recept voor een pijnstiller voor zijn vader, die aan reuma leed. Later kwam men erachter dat de naam van Eichengrünn, omdat hij Joods was, door het naziregime uit de archieven was geschrapt en de uitvinding aan een van zijn assistenten, Hoffmann, toegewezen.

De naam aspirine is sinds 1899 onlosmakelijk verbonden met pijnstillers. Het is allang niet meer het meest gebruikte middel, maar toch is een ‘aspirientje’ nog altijd synoniem voor een pijnstiller.

Beeld: Aspirine, de eerste en beroemdste pijnstiller en koortsonderdrukker

Aspirine, het eerste synthetische geneesmiddel