< Terug naar overzicht

Antonie van Leeuwenhoek ontdekt bacteriën

1676

Antonie van Leeuwenhoek (1632-1723) is niet de uitvinder van de microscoop, zoals vaak wordt aangenomen. Wie dat wel was, is onduidelijk. Van Leeuwenhoek maakte als textielhandelaar veel gebruik van vergrootglazen om de kwaliteit van stoffen te beoordelen. In zijn vrije tijd leerde hij glasblazen en slijpen, om zelf lenzen te kunnen maken. Microscopen uit die tijd vergrootten tot maximaal 30 maal, maar Van Leeuwenhoek slaagde erin een lens te maken die tot 480 maal vergrootte. Hiermee ging hij andere dingen dan lakens bestuderen, zoals insecten.

Hij hield zijn werkwijze angstvallig geheim en nam hem zelfs mee het graf in. Hierdoor weten we niet hoe hij veel van zijn ontdekkingen deed. Voor veel van zijn onderzoek zou bijvoorbeeld speciale belichting nodig zijn geweest.

Het werk van Van Leeuwenhoek is van onschatbare waarde geweest voor de microbiologie. Zijn ontdekking van micro-organismen (animalcules, ‘kleine dieren’) verwierp de theorie van ‘spontane generatie’, die stelde dat dieren als vlooien en maden spontaan ontstaan uit levenloos materiaal. Van Leeuwenhoek ontdekte of beschreef als eerste onder meer rode bloedcellen (1674), bacteriën (1676), spermacellen (1677) en de opbouw van spierweefsel (1685). Ook bevestigde hij in 1688 de theorie van Harvey over de bloedsomloop.

Zelfs bij zijn dood deed Van Leeuwenhoek nog een medische ontdekking. Op zijn sterfbed beschreef hij nauwkeurig de samentrekkingen van het middenrif. Daaraan leed hij zelf. Dit verschijnsel heet nu de Ziekte van Van Leeuwenhoek.
Beeld: Portret van Anthonie Van Leeuwenhoek, door Jan Verkolje, 1680

Antonie van Leeuwenhoek ontdekt bacteriën