< Terug naar overzicht

Het belang van hygiëne

1850

Tot in de negentiende eeuw liepen patiënten na een operatie een grote kans om te overlijden als gevolg van infecties. Zonder iets van ziektekiemen af te weten, was de Hongaarse verloskundige Ignaz Semmelweiss (1818-1865) de eerste die hier de oorzaak van ontdekte. In de kliniek waar hij werkte, werd ook sectie verricht op overleden patiënten. Een bovengemiddeld aantal vrouwen overleed in deze kliniek aan kraamvrouwenkoorts. Toen Semmelweiss zag dat iemand die zich in de sectiezaal gesneden had, dezelfde symptomen vertoonde als kraamvrouwenkoorts, kwam hij op het idee iedereen in de kliniek op te dragen om voor een bevalling de handen te wassen met chloor. Daarna daalde het aantal gevallen van kraamvrouwenkoorts sterk. Het duurde tot de ontdekking van de streptokokkenbacterie in 1884, twintig jaar na de dood van Semmelweiss, dat zijn gelijk werd aangetoond. Door het werk van onder andere Pasteur was toen het bestaan van ziektekiemen al bekend.

De ontdekkingen van Pasteur inspireerden onder andere Joseph Lister (1827-1912), een Schotse chirurg. Hij begon in 1865 wonden en instrumenten te ontsmetten met carbolzuur (fenol) en het aantal infecties na een operatie daalde aanzienlijk. Hij schreef chirurgen voor wonden en instrumenten te ontsmetten en bij operaties handschoenen te dragen.

Rond dezelfde tijd begonnen overheden op aanraden van de Engelse arts John Snow (1813-1858) maatregelen te nemen om de hygiëne in steden te verbeteren en zo de verspreiding van onder andere cholera – een van de meest dodelijke infectieziekten van die tijd – tegen te gaan.
Beeld: Ignaz Semmelweiss, die het verband tussen hygiëne en besmetting aantoonde, op een Hongaarse postzegel, 1954